GIEDO VAN DER GARDE: “ER BESTOND VOOR MIJ MAAR ÉÉN DING: RACEN”
Razendsnel scheurt Giedo van der Garde (41) door het leven. Letterlijk, jarenlang, op circuits wereldwijd. Als één van de weinige Nederlanders bereikte hij de absolute top van de autosport: de Formule 1. Nog voor de generatie van Max Verstappen stond hij daar, tussen de twintig beste coureurs ter wereld, levend op adrenaline, snelheid en constante druk. Maar achter dat ogenschijnlijk glamoureuze leven schuilt een ander verhaal. Een verhaal over pieken en dalen, over een droom die abrupt tot stilstand kwam, en over wat er gebeurt als alles waar je jarenlang naartoe hebt geleefd in één klap wegvalt.
We spreken de snelheidsduivel bij Jondani, één van zijn absolute favorieten. Ver weg van de paddock, maar met dezelfde energie. Want stilzitten? Dat zit er niet in. Van topsport naar ondernemerschap, van een zwart gat naar een tweede carrière. Zijn leven kent misschien geen rechte lijnen, maar wel één constante: die van doorzettingsvermogen. En precies dat blijkt, ook buiten de racebaan, zijn grootste kracht.
Tekst: Lisanne Roldaan
Fotografie: Ashkan Mortezapour
Waar kom je vandaan?
“Ik kom uit Gelderland, ben geboren in Rhenen. Inmiddels woon ik al meer dan vijftien jaar in Amsterdam. School was niets voor mij; ik vond leren helemaal niet leuk. Op mijn negende ben ik de kartbaan opgegaan en kwam ik erachter dat ik er erg goed in was. Uiteindelijk heb ik een aantal jaar aan de top van de Formule 1-wereld gestaan. Ik was één van de zestien Nederlanders die dat ooit heeft mogen doen, dat vind ik nog altijd heel bijzonder.”
Hoe was jouw jeugd?
“Mijn vader heeft altijd heel hard gewerkt. Daardoor was er soms wat minder tijd voor mij, maar ik heb er geen mindere jeugd om gehad. Mijn ouders hadden één van de grootste babywinkels van Nederland en werkten keihard om die succesvol te houden. Daardoor konden wij ook altijd leuke dingen doen, veel op vakantie, en kon ik al op jonge leeftijd beginnen met karten. Mijn ouders hebben mij altijd gesteund, zelfs met school. Vanaf de basisschool ging ik naar een speciale topsportschool. Ik zat met jongens als Theo Janssen, Nicky Hofs en Piet Velthuizen in de klas.”
Hoe was die tijd op school?
“Heel bijzonder. Vooral fijn, omdat je op die school extra ruimte kreeg voor sport. Ik kon meer racen, meer weekenden rijden, daar ging het mij om. Mijn moeder heeft er wel altijd op gehamerd dat ik mijn diploma moest halen. Toen ik die had, riep ik ook gelijk dat dat mijn enige diploma zou worden. Ik heb nog wel wat losse vakken gedaan, maar ben nooit meer echt terug naar school gegaan. Dat diploma was de enige voorwaarde om te blijven karten.”
Benieuwd naar het hele interview met Giedo van der Garde? Lees het in de Zie Oud Zuid van mei. Te vinden bij je favoriete hotspots in Amsterdam-Zuid.

