OP DE THEE BIJ: PSYCHOLOOG VITTORIO BUSATO

door | mei 1, 2026

ELKE MAAND GAAT TATUM DAGELET OP DE THEE BIJ EEN INTERESSANTE, BEROEMDE OF BERUCHTE BEWONER VAN ZUID.

 

In de Stadionbuurt woont psycholoog en journalist Vittorio Busato met zijn vrouw Pensiri en hun zoontje Pierpaulo. Vittorio groeide op in Gorinchem, studeerde psychologie aan de UvA en woont al sinds halverwege de jaren tachtig in Amsterdam, grotendeels in Zuid. Hij werkte jarenlang aan de universiteit, schreef voor verschillende bladen en was dertien jaar hoofdredacteur van tijdschrift De Psycholoog.Daarnaast heeft hij diverse boeken op zijn naam staan. Zijn nieuwste boek De Minimaatschappij gaat over het leven in tbs-klinieken, een onderwerp dat hem al sinds zijn studententijd fascineert en waar hij jarenlang onderzoek naar deed. Tijdens de thee, met een heerlijk stuk chocoladetaart, praten we over psychologische labels, de wereld van de tbs en dat het in Zuid tóch best spannend kan zijn.

Tekst/ foto’s: Tatum Dagelet  

 

 

Vittorio Busato, dat klinkt Italiaans…
“Klopt. Mijn vader heeft Italiaanse ouders en is in Nederland geboren, mijn moeder is Nederlands, dus dat maakt mij half Italiaan. Mijn grootvader was een van de eerste Italiaanse ijsverkopers in Nederland. In 1934 opende hij zijn eerste ijssalon in Gorinchem.”

Maar jij bent dus geen ijsschepper geworden?
“Nee, psycholoog. Mijn vader deed ook wat anders: hij zat in het onderwijs. Zijn vaste grap was: ‘Ik zit in het onderw-ijs.’”

En wat heb jij met ijs?
“Ik eet het graag. Bijvoorbeeld bij IJssalon Da Vinci op het Stadionplein en bij Tofani op de Nieuwmarkt.”

Je bent opgegroeid in Gorinchem, wanneer kwam je naar Amsterdam? 
“In 1985, om psychologie te studeren aan de UvA. Toen ik als veertienjarige voor het eerst naar Amsterdam kwam, voor een internationaal tennistoernooi, was ik op slag verliefd op de stad. Ik dacht: wat ik ook ga studeren, ik ga dat hier doen.”

Hoe kwam je erbij om psychologie te gaan studeren?
“Als kind was ik best gesloten en op school ging het niet helemaal lekker. Mijn moeder liet me testen door een psycholoog. Dat vond ik toen zo interessant dat ik dacht: dit wil ik later ook doen. Al kon ik het woord psycholoog nog niet eens goed uitspreken. Na mijn studie, met als specialisatie ontwikkelingspsychologie, promoveerde ik op de dissertatie ‘Leerstijlen nader geanalyseerd’. Daarna heb ik lang lesgegeven en onderzoek gedaan aan de faculteit psychologie van de UvA.”

Kun je mij als psycholoog meteen even diagnosticeren? Tegenwoordig krijgt iedereen een label opgeplakt.
“Dan zou ik jou eerst veel beter moeten leren kennen natuurlijk. Denk je dat er iets mis met je is?”

Eigenlijk niet. Maar vertel, sinds wanneer woon je in Zuid?
“Ik woon nu tien jaar in de Stadionbuurt, daarvoor heel lang in De Pijp. Mijn eerste studentenkamer was ook al in Zuid, in de Heinzestraat: een straatje tussen de Joodse synagoge en de Jellinekkliniek. Mijn vader had die via een collega voor me gevonden. In die tijd was het allemaal wat makkelijker dan nu om iets te vinden.”

Bevalt Zuid je?
“Eerlijk gezegd bevalt de Stadionbuurt me beter dan De Pijp, het is rustiger. Hoewel: onlangs was hier zestig meter vandaan een bomaanslag. Ik werd echt mijn bed uit gedreund. Mijn vrouw dacht dat de oorlog was uitgebroken. Ons zoontje sliep er gelukkig doorheen, maar een klasgenootje van hem, dat verderop in de straat woont, was doodsbang. Zes woningen waren daarna volledig onbewoonbaar, ook huizen waar kinderen wonen. Dat vond ik wel intimiderend.

Nog iets anders spannends; je schreef het boek De Minimaatschappij over het leven in een tbs-kliniek. Voor wie dat niet precies weet, wat is een tbs-kliniek?
“Een instelling waar mensen terechtkomen die een ernstig misdrijf hebben gepleegd, maar bij wie een psychische stoornis een belangrijke rol speelde. Vaak hebben ze eerst een gevangenisstraf uitgezeten en daarna worden ze behandeld in een tbs-kliniek.”

Wat inspireerde jou om dit boek te schrijven? 
“Het onderwerp fascineert me al vanaf het begin van mijn studie. In 2001 was ik voor een reportage voor Psychologie Magazine in de tbs-kliniek Van der Hoeven in Utrecht. De eerste keer dat ik daar naar binnen ging liep ik echt met klotsende oksels, met het vooroordeel dat die mensen de hele dag door gevaarlijk zijn. Het zijn mensen die een poging tot moord hebben gepleegd, of doodslag, verkrachting, zware stalking, dat soort dingen. Dat intrigeerde me: wat maakt dat iemand zo’n vreselijke daad begaat? En zijn die mensen überhaupt beter te maken? Toen ontstond het idee om ooit een boek te maken met stukken over tbs-klinieken. Later schreef ik een stuk over het Pieter Baan Centrum, over hoe verdachten worden beoordeeld op toerekeningsvatbaarheid. Dat oude idee kwam weer terug en toen heb ik TBS Nederland benaderd, de overkoepelende organisatie van alle tbs-klinieken, zij stonden daar welwillend tegenover. Vervolgens heb ik in bijna alle tbs-instellingen een week meegelopen.”

Hoe ging dat, meelopen in een tbs-kliniek?  
“Ik sprak veel met psychiaters, psychologen en groepsbegeleiders, maar ook met tbs’ers zelf. De insteek voor het boek was dat ik me in die klinieken heb laten verbazen en verwonderen, gewoon door er heel open in te gaan. Ik wilde niet per se weten wat tbs’ers op hun kerfstok hadden, maar was vooral benieuwd hoe ze daar leven en wat voor behandeling ze krijgen. In mijn boek neem ik de lezer mee in de wereld van de Nederlandse tbs-klinieken, hoe het leven daarbinnen is en hoe het systeem werkt.”

Wat maakte het meeste indruk op je?
“De jeugd-tbs in Teylingereind. Er zaten alleen maar jongens. De jongste was dertien. De kale kamers, het uitzicht op hoge muren met prikkeldraad, het klaslokaal waar je eerst door tien deuren met zware sloten en scanners moet… Zo zou hun leven er toch niet moeten uitzien. Dat vond ik heel confronterend. Misschien ook omdat ik vader ben, mijn zoontje is nu negen. Ik heb daar een week meegelopen en mijn zoontje nog nooit zoveel geknuffeld als in die periode.”

Was je weleens bang in die klinieken?
“Niet zozeer bang, eerder ongemakkelijk. Ik ben een keer met iemand die op verlof was meegegaan naar de supermarkt in Groningen. Zo’n alledaags gebeuren – naar de supermarkt gaan – maar dan loop je toch naast een tbs’er. Je weet dat achter die mensen ernstige delicten zitten. Met sommige bewoners kon ik het ook gewoon goed vinden. Dat ik dacht: mag ik een tbs’er aardig vinden? Waarom niet? Het is ook gewoon een mens. Een bewoner liet me zijn rapmuziek horen. Ik ben met hem mee geweest naar muziektherapie en heb zelfs meegedaan op de bongo’s. Er was ook iemand van wie ik eerst dacht dat hij een medewerker was. Een slimme man. Later hoorde ik waarvoor hij daar zat. Hij zat al minstens twintig jaar in de tbs en komt er waarschijnlijk ook nooit meer uit. Zulke dingen kun je in je hoofd bijna niet met elkaar rijmen. Die tegenstelling blijft ingewikkeld.”

Vanuit jouw psychologische blik, hoe zou jij Zuid omschrijven?
“Zuid is natuurlijk niet één ding. Je hebt de Rivierenbuurt, de Zuidas, De Pijp, de Stadionbuurt. Dat zijn heel verschillende werelden. Maar als ik het hier vergelijk met De Pijp, vind ik dit deel van Zuid wel gemoedelijker. Er vindt best wel wat criminaliteit plaats in Zuid, hoor. Er zijn hier heel wat mensen omgelegd.”

Zuid ooit uit?
“Dat sluit ik niet uit. Mijn vrouw is Thais. We willen op een gegeven moment in Thailand wonen, in de streek waar zij vandaan komt en in Hua Hin. Maar dat hangt ook af van hoe het met mijn zoon gaat, wanneer hij klaar is met school en wat hij daarna gaat doen. Het idee dat ik buiten Amsterdam zou gaan wonen vond ik vroeger ondenkbaar, maar dat is veranderd.”

Ben je niet meer verliefd op de stad?
“Die verliefdheid is wel minder geworden. Ik vind de stad asocialer en gehaaster dan vroeger. In coronatijd, toen het stiller was en je niet werd omvergereden door fatbikes of toeristen, voelde ik die oude liefde weer even terug.”

Mag ik nog één stukje taart? Zó lekker deze!
“Natuurlijk, die is van Huize van Wely aan de Beethovenstraat. Wil je ook een bakje Thaise curry mee? Mijn vrouw heeft die gisteren gemaakt, er is nog wat over.”

 

“Wat maakt dat een tbs’er zo’n vreselijke daad begaat?”